Winter, winter, nog eens winter en dan aarzelende lente

We vallen om te leren hoe we terug recht kunnen krabbelen

Gepaste hulp vinden als je je niet meer goed in je vel voelt, is geen sinecure, daar kunnen wij volmondig over meepraten. Maar laat ik mijzelf eerst even geruisloos voorstellen: Filip, van opleiding journalist, herhaaldelijk psychisch ziek gevallen, een verslaving aan benzodiazepines om u tegen te zeggen achter de rug, ooit twee volledige jaren gedwongen opgenomen, er echter stabieler uitgekomen, schizo-affectief van diagnose, fan van de Schotse noiseband The Jesus And Mary Chain, Batman en de Amerikaanse regisseur van vooral verknipte sprookjesfilms Terry Gilliam tot in de kist.

Ik heb best een lange ziektegeschiedenis achter de kiezen, met al een eerste manische fase op mijn 16e, compleet met de onvermijdelijke daarop volgende depressie en bijhorende eerste psychiater toen ik 17 was. Op mijn 21e een eerste keer opgenomen in psychiatrie, meteen met wisselend succes de start van een hele rist residentiële opnames in Limburg en Vlaams Brabant waarvan ik u de details bespaar. Hoe dat allemaal zoal komt? Zwaar gepest geweest in het lager onderwijs meneer, de klassieker onder ervaringsdeskundigen. Toch geloof ik ergens wel in datgene wat Freud ooit zo mooi ‘de archeologie van de ziel’ noemde. Ik heb  dus effectief, gewapend met een piepkleine zaklamp en in het gezelschap van een goede psycholoog, pogingen gedaan af te dalen in de kelders van mijn geheugen waar ik al zo’n slordige veertig jaar niet meer geweest was, kwestie van eindelijk in het reine te komen met mijn verleden. Toch gebroken met die psycholoog omdat hij voor mij toch te directief was. Ik heb na al die sessies en eerdere opnames wél de vaste overtuiging dat ik domweg geboren ben met die aanleg voor schizo-affectieve stoornis, dat dat pesten toch, hoe je het ook draait of keert, wonden heeft geslagen en dat stress en opwinding belangrijke triggers zijn om mijn Ernstige Psychiatrische Aandoening (kortweg EPA) met brullende motoren te laten opstijgen.    

Maar ‘passons’, het leven is kort en alles moet vooruit nietwaar? Ondanks alles toch mijn secundair onderwijs kunnen afmaken. Sterker zelfs: ik heb, ondanks mijn ziekte toch maar mooi mijn kandidatuurdiploma Communicatiewetenschappen met onderscheiding op zak en die eerder geciteerde opleiding journalistiek, eveneens met onderscheiding. Zelfs ooit stage gelopen bij De Morgen en De Standaard. Om maar te zeggen dat je, mits een goede omkadering, ver kan gaan. The sky is the limit, nietwaar?

Moeten we het nog verder over die vermaledijde jaren negentig hebben? Ik denk het niet. Laat de herinneringen hun doden begraven, gisteren is vergeten en ja hoor: we vallen in dit leven nog steeds om te leren hoe we weer recht kunnen krabbelen. Ik sluit straks af met een gedicht uit 1996, de rest mag in de kluis van mijn geest. Ik wil het met u namelijk hebben over de hulp die ik vanaf pakweg 2001 tot heden kreeg en krijg, zeg maar een handvol jaren voor het fameuze artikel 107 en een vuistdikke periode erna dus. Stapt u even mee aan boord van mijn verhaal?

Een seizoen in de hel

Op 14 februari 2001, uitgerekend op Valentijnsdag, maakte mijn toenmalig lief –het zoveelste droommeisje- het uit. Drie dagen daarna werd ik 30. Nog een dag later verknalde ik als de betere brokkenpiloot grondig een mondeling sollicitatiegesprek bij weekblad Knack voor een vacature als journalist aldaar. Ik had het nochtans tot de allerlaatste ronde geschopt.

Zelfs de meest stabiele persoon ter wereld zou ontregeld raken van een dergelijk rampenparcours. Onnodig te vragen in welke diepe ravijn ik, half bipolair, stortte. Ik had in de jaren negentig al hoge pieken en afgrijselijke leegtes gekend maar werd toen, heel vreemd, als borderline gediagnosticeerd.

Ik zocht hulp en belandde na enkele omzwervingen een eerste keer in de Alexianen Zorggroep Tienen, augustus 2001. Ik had immers inmiddels een afhankelijkheid aan benzodiazepines om u tegen te zeggen ontwikkeld. En was de kliniek in Tienen niet uitgerekend bekend omwille van zijn aanpak van verslaving? Na enkele maanden nam ik er desondanks ontslag.   

Inmiddels schrijven we geruisloos juni 2002. Ik was gedwongen opgenomen in Melveren omdat ik mijzelf royale hoeveelheden benzo’s had voorgeschreven op blanco doktersbriefjes. Dat klinkt grappiger dan het toen in feite was. Ik was immers al even geruisloos geëvolueerd naar een psychisch wrak dat alleen opfleurde bij een Temesta. En weer was het prijs: ondanks mijn aanhoudende protesten en tussenkomst van een kakelverse klachtenbemiddelaarster werd ik van de gesloten afdeling onverbiddelijk naar de afdeling verslaafden gesluisd. Daar, pardoes in mijn fysieke afkick van benzo’s heb ik de meest donkere bladzijde uit mijn ganse bestaan ervaren. Of, om het in de woorden van de 19e-eeuwse dichter Charles Baudelaire te gieten: ik zat een seizoen in de hel.

Ivoren toren

Zet immers nooit patiënten waarvan je ook maar een vermoeden van dubbeldiagnose hebt, samen met ‘zuivere’ verslaafden, dat werkt voor geen meter. Patiënten met enkel een afhankelijkheidsprobleem kunnen immers tegen een forse, kritische stoot van de begeleiding, iets wat absoluut niet werkt voor dubbeldiagnosepatiënten. Ook niet meteen bevorderlijk voor mijn psychisch welbevinden: een psycholoog die ik toen zo glibberig als een paling in een emmer groene zeep vond en een psychiater in een kilometershoge ivoren toren. Wat mij betreft mag er gerust meer, veel meer aandacht besteed worden in de opleidingen van zowel hulpverleners als ervaringsdeskundigen aan de zoetgevooisde term ‘iatrogene pathologie’: het ziek worden door de behandeling zelf. Ik heb immers niets minder dan een uit de kluiten gewassen trauma opgelopen in Melveren en keek dus met wel erg gemengde gevoelens naar het intakegesprek dat ik er op 12 maart 2019 had. Gelukkig werd een opname aldaar geruisloos veranderd in een korte periode dagkliniek in campus Stad; een heel pak van mijn hart. Vanuit die dagkliniek ging het zelfs naar een korte opname, eveneens in campus Stad. Ging het dan toen zo slecht met mij? Ja en neen. Ik sliep immers slechter dan een muis op een gezinsverpakking koffie, waardoor mijn dag/nachtritme als de betere groentesoep volledig door elkaar geklutst was. Inmiddels heb ik wel, zowel in mijn hoedanigheid als ervaringsdeskundige als in mijn oude rol van patiënt in korte volledige opname, met eigen ogen kunnen vaststellen dat er doorheen heel Asster, zowel de campus Stad als de campus Melveren, na al die jaren een weldadig frisse wind waait die dergelijke praktijken wellicht voorgoed naar het verleden heeft geblazen. En zeggen ze niet steevast in een slordige twee dozijn romantische films heel mooi dat vergissen menselijk en vergeven goddelijk is?

Maar soit, terug naar 2002, terug naar psychiaters en een psycholoog die ik toen hartstochtelijk een enkel ticket richting Zwart Gat toewenste. Want het gevolg van wat dan mijn behandeling heet was wel dat ik, half psychotisch, de dag dat mijn collocatie voorbij was, naar de open psychose-afdeling van Alexianen Zorggroep in Tienen verhuisde. Het advies van mijn behandelende psychiater daar?  Drie maanden behandelgroep en dan beschut wonen; geen speld tussen te krijgen.  

Gedwongen opgenomen in mijn eigen geest

Het valt mij zwaar om te vertellen hoe ik, in maart 2003, er zelf voor zorgde dat ik in Tienen een volledige twee jaar gedwongen opgenomen werd, loodzwaar zelfs. Laten we het erop houden dat ik mij, met de hete adem van beschut wonen in mijn nek, voelde alsof ik met de rug tegen de muur stond, compleet schaakmat gezet, en dat ik dan maar van lieverlee een enorm zware zelfmoordpoging deed met medicatie in een hotelkamer. Nu, weeral jaren later, heb ik drie jaar beschut wonen bij Walden achter de kiezen, heb ik enkele jaren vrijwilligerswerk bij ontmoetingscentrum TreAde achter de kiezen en kan ik persoonlijk getuigen dat beschut wonen niet het eindstation is dat ik erin vermoedde, eerder een vertrekpunt.

Intussen was ik, door mijn voortdurend hervallen met benzo’s, naar de gesloten afdeling verkast en had een andere dokter mijn behandeling overgenomen. Ik zat er al langer dan een jaar een psychisch wrak te wezen totdat er miraculeus drie gebeurtenissen plaatsvonden die mijn leven letterlijk hebben gered. Ik beriep mij in februari 2005 op het recht dat patiënten in België hebben om zelfs onder gedwongen opname hun medicatie te weigeren maar had, razendsnel manisch geworden, gelukkig wel nog net voldoende tegenwoordigheid van geest om ja te zeggen aan het alternatieve neurolepticum dat die dokter voorstelde.

Ten tweede maakte de psychologe van de afdeling mij fijntjes duidelijk dat ik ten allen tijde de keuze had: blijven gebruiken of het spelletje –niet hervallen met benzo’s- een tijdlang meespelen en finaal ontdekken hoe weldadig een leven zonder tranquillizers kon zijn.

Tenslotte richtte een ergotherapeute die was overgeheveld van het arbeidscentrum, en die al razendsnel in de smiezen had dat ik een broertje dood had aan knutselen, een tijdschrift op; niet geschreven door het personeel maar door ons patiënten. Een tijdschrift! Ik kroop geleidelijk aan terug in mijn pen, een zalig gevoel. Die bewuste ergotherapeute had met haar aanstekelijk enthousiasme immers een al te lang ondergesneeuwd talent tevoorschijn getoverd. Geleidelijk zag de begeleiding in dat ik heus niet enkel een tranquillizerjunk was. Empowerment volgens het boekje, heet dat dan

Die drie factoren hebben mij zachtjes richting herstel gedirigeerd; een pad dat niet altijd eenvoudig bleek maar altijd de moeite was en mij een dikke acht jaar stabiel hield.

Volwassen paranoia

Begin mei 2014 kwam ik met gemengde gevoelens terug aan op de gesloten afdeling van Alexianen Zorggroep Tienen. Ja, ik had sinds mijn verhuis in september 2013 naar een zeer ruim appartement in het centrum van mijn geboortestad Hasselt wel en niet goed geboerd. Positief was bijvoorbeeld dat ik veel dichter bij enkele vrienden en mijn inmiddels overleden vader, die aan Alzheimer leed, stond. Helaas was en is er een knoert van een keerzijde aan die medaille. Ik woon immers in een piepklein maar toen, in 2013, druk winkelwandelstraatje, pal tegenover een  restaurantje met straatterras. Het geroezemoes van die terrasgasten maakte mij ,voor Corona wreed lachend, de hele wereld op slot deed,  letterlijk –excusez le mot- knettergek.

Een volwassen paranoia, een torenhoge bloeddruk, ik had, samen met mijn aan huis komende gespreksbegeleider, elke denkbare piste op dat moment uitgeprobeerd, inclusief een crisisteam dat dagelijks aan huis kwam. Een crisisopname bleek uiteindelijk de enige uitweg.  

Herstelbevorderende factoren

Gelukkig gaf de psychiater van wacht mij in Tienen al vanaf dag één de toestemming om op het domein te wandelen en daar heb ik dus heel dankbaar gebruik van gemaakt. Dat blinde vertrouwen was alvast één helende factor van mijn herstel.

Wat ook hielp, was dat er op die gesloten afdeling twee gescheiden livings zijn: eentje voor de wat rumoerigere en eentje voor de wat rustigere patiënten. De verpleegster die al sinds jaar en dag mijn vaste begeleidster is als ik in opname ga, verwees mij onmiddellijk naar de rustige living en ook dat was zeker een herstelbevorderende factor, naast uiteraard het feit dat gekende patiënten kunnen terugvallen op hun begeleider of begeleidster van vorige opnames. Geloof mij vrij: dat spaart veel, heel veel kostbare tijd.

Verdere, al dan niet helende behandelmethodes? Wat dacht u van een voorschrift van de internist voor kinesitherapie en een desbetreffende kinesiste die mij vooral veel inzicht in mijn angsten en mijn obsessie met het meten van mijn bloeddruk verschafte –ze heeft me zelfs tot in detail het verschil tussen het orthosympatisch en het parasympatisch zenuwstelsel uitgelegd.  

Schrijven tot ik erbij neerval

Dat ik tenslotte zelf aanwezig mocht zijn op mijn evolutiebespreking met het hele team, genas mij voor een deel van mijn achterdocht die zich steeds opnieuw als een sluipmoordenaar in mijn getroebleerde geest nestelt. Ik dacht namelijk altijd dat er veel meer gezegd en geroddeld werd op zo’n bilan en zon teamvergadering, met eigen ogen en oren kunnen meemaken was niets minder dan een openbaring voor mij.  

Ik wou dat ik kon zeggen dat al die dingen een blijvend herstel hebben veroorzaakt, maar dat is toch veel te kort doorheen de bocht: een voetbalveld aan paranoia, een torenhoge bloeddruk, een uit zijn kluiten barstend slaapprobleem en een ravijnendiepe angst…kortom problemen die al heel lang meegaan los je niet op met een opname van een bescheiden drie weekjes. Daarom heb ik van 2015 tot 2017 twee ganse jaren therapie gevolgd in Reval Hasselt, een vrij uniek project van het Riziv met een waaier aan zoveel waardevolle therapieën dat ik soms doorheen de bomen het bos niet meer zag. Ik wou en wil mij immers ooit weer als een vis in het water voelen in mijn bloedeigen comfortzone en dat is, u raadt het, schrijven tot ik erbij neerval.

Als een vliegtuig dat bijtankt in volle vlucht

Om maar te zeggen dat die opname van 2014 slechts een aanzet vormde; het is nu aan mij om de goals binnen te koppen. De ene keer lukt dat prima, de andere keer dan weer helemaal niet. En ja ik was tijdens mijn therapie aan therapieëncentrum Reval, nog het best te vergelijken met een vliegtuig dat je bijtankt in volle vlucht, met enige pijn in het hart  met enkele dingen gestopt. Ik heb immers eindelijk geleerd dat je beter enkele dingen goed doet dan vanalles op halve kracht.

Eindbalans van die crisisopname? Toch een positief gevoel aan overgehouden, jazeker. Alleen al het naakte feit dat ik drie weken weg was van mijn bedreigende thuissituatie en zeker ook het feit dat ik, doordat ik gekend was onmiddellijk de vrijheid kreeg om op het domein te gaan en dus voor een deel zelf mijn behandeling in handen te nemen, deed veel deugd.

En toch zat ik na een maand dagtherapie in april 2019 een kleine drie weken in volledige opname, een elegante oplossing voor mijn eerder geciteerd totaal dooreen geklutst bioritme. Want zelfs een vliegtuig dat je kan bijtanken in volle vlucht moet af en toe toch een korte periode aan de grond voor een grondig nazicht, nietwaar? Gemengde gevoelens over die dagkliniek en die opname van mei 2019? Jazeker. Het zette mij immers in de vrij unieke, lichtjes schizofrene positie van zorgvrager én zorgverlener, voorwaar een spreidstand waar enkel een klassiek geschoolde balletdanseres aan kan tippen. Maar herval is onderdeel van herstel, zo leert de herstelvisie mij. En dus ga ik nu, nu ik beter slaap omdat ik mijn medicatie weer wat strikter, weer wat meer gespreid neem en ook wel omdat ik met de regelmaat van een al dan niet defecte Zwitserse klok bij mijn moeder ga logeren, er opnieuw met verse moed tegenaan. Herstel is immers een cirkel, geen afgelijnd lineair proces. En cirkels daar kan je in blijven rond bewegen, nietwaar?  

Eindbalans van die korte, hopelijk laatste opname van een kleine twee jaar geleden? Ergens voel je wel dat de geest van artikel 107, ik schreef het al, goed blaast doorheen Asster, de ene keer al wat forser dan de andere. Er blijft, hoe je het ook draait of keert, een klein verschil –noem het gerust een foutenmarge zo u wil- tussen de theorie die mooier ronkt dan een opgevoerde Ferrari en de prikkeldraad van de praktijk. Voorbeelden? Wat dacht u van een foldertje over klachtenbemiddeling dat bijna onzichtbaar in het restaurant achter glas steekt zodat enkel het keukenpersoneel het je kan geven? Of het feit dat iedereen het weliswaar een goed idee vond dat ik aanwezig mocht zijn bij mijn eigen evolutiebespreking, maar dat ik er toch aan twee of drie mensen formeel toestemming voor moest vragen (uiteindelijk had ik de dag van die bespreking toch eieren voor mijn geld gekozen en een al langer geplande opdracht uitgevoerd als ervaringsdeskundige).  Zijn de twee net aangehaalde voorbeelden nu detailkritiek? Kommaneukerij van het zuiverste water? Waarschijnlijk wel. Uiteindelijk ben ik immers goed behandeld geweest, punt uit. En, ook belangrijk, was ik al lang blij met de kans die ik kreeg om enkele opdrachten als ervaringsdeskundige toch vanuit die opname te kunnen uitvoeren. Hopelijk was dit, hout vasthouden totdat het barst, mijn allerlaatste opname.

Een mooi getinte deken over de rommel in je geest gooien

Ik heb de psychiater die mij zowel residentieel als ambulant vanaf 2003 behandeld had bij ons afscheidsgesprek, toen hij met pensioen ging, in juli 2014, immers beloofd dat ik niet te pas en te onpas om een opname zal bedelen en die afspraak heb ik ook met zijn immer beminnelijke opvolger. Eenzaamheid is namelijk mijn core business en daar moet ik domweg mee leren omgaan. Ik los dus nu mijn problemen, na die opname in mei 2019, terug helemaal op in de geest van artikel 107: ambulant, van 2015 tot 2017 met dat Reval, nu met een steengoede bewindvoerder, een competente, jonge huisarts, een uit rots gebeeldhouwde vertrouwenspersoon, een gedreven zorgkundige huishoudhulp, een schat van een moeder en twee aan huis komende begeleiders van, euh, twee uit de duizend; haast alsof je bijtankt in volle vlucht. Jazeker: ik heb bij mijn steengoede begeleider van het mobiele team Reling in het voorjaar van 2019 aan de alarmbel getrokken. En ja, na een maand dagkliniek en drie weken volledige opname heb ik toch alweer een kleine twee jaar lang gekozen voor mijn net geciteerde, uitstekend netwerk. Want een ganse periode artificieel tussen al dan niet leuke mensen gaan leven is volgens mij bijna hetzelfde als een tranquillizer nemen: je gooit een mooi getinte deken over de rommel in je geest maar an sich ruim je niet alles op. Toch vind ik dat ook ik recht heb op mijn zo gegeerde acht uren slaap. Het is niet omdat ik weiger te hervallen met klassieke slaappillen dat ik de rest van mijn leven slecht moet slapen, nietwaar? Voor mij was zowel die crisisopname uit 2014 als die dagkliniek en volledige opname in april en mei 2019 dus meer zoiets als mijn batterijen opladen en betekende het zowel toen als nu de start voor het groeiende besef dat ik meer uit mijn appartement en tussen de mensen moet komen. Of, zoals een eeuwenoud Chinees spreekwoord het zegt: “De kracht van de krokodil is water.”

Ook de slak bereikt Noachs ark

Nog één vraag die op uw lippen brandt, dierbaar publiek, ik hoor het u al denken. Hoe gaat het nu met mij? Wel, er is in 2018 en begin 2019 even een zwart gat geweest na twee ganse jaren Reval-therapie, net zoals ik toch voor geruime tijd een kleine blues had na die al meermaals geciteerde laatste opname van 2019 en die ellendige, blijkbaar eeuwigdurende Coronacrisis die nu gelukkig op zijn laatste benen lijkt te zwalpen; toegegeven. Ook ben ik een dik jaar geleden enkele maanden uit Lef gestapt omdat ik mij –weeral- zo overspannen voelde als een dolgedraaide metronoom. ‘Grenzen afbakenen’; ik wil ze niet te eten geven, de ervaringsdeskundigen die dergelijk heilig devies naast zich neerleggen en veel te diep in hun reserves tasten. Maar zie, elke pikdonkere medaille heeft een glanzende keerzijde. Ik geniet nu immers, nu ik wat meer tijd heb, veel intenser van de gigantische speeltuin die mijn appartement op de keper beschouwd al negen jaar is; de grote massa komt voorlopig toch niet opdagen in de horecazaakjes tegenover mij. Verder begin ik, eindelijk, het eeuwenoude adagium ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’ onder de knie te krijgen, al blijf ik enorm sukkelen met een vlijmscherpe rugpijn die bijna constant mijn lichaam onder vuur neemt. Toch ga ik tegenwoordig elke schoolvakantie met een goede vriend op citytrip in een Vlaamse stad en ja, dan wandelen we, rugpijn of niet, naar mijn normen heel wat af. Genieten; jazeker. Ook bij Lef ben ik weer sinds een jaar eerst voorzichtig schuifelend, nu al wat resoluter, aan boord geklommen: al beperk ik mij voorlopig tot welgeteld één opdracht per maand. Maar ja: als puntje bij paaltje komt heb ik toch maar mooi mijn honderden betrekkingsideeën, paranoïde problemen, waangedachten en angsten voor een zeer geruime tijd kunnen terugschroeven tot slechts twee afgemeten problemen die er wel zeer lang stonden als een wolkenkrabber op drijfzand, toegegeven. Ik heb namelijk in 2005 een fikse hersenbloeding gehad –ik heb tot op de dag van vandaag nog steeds uitval in mijn linkerarm- en heb sindsdien een ware obsessie met het meten van mijn bloeddruk. Toch kan je ook zo’n obsessie vertalen naar verslaafd zijn aan niets minder dan het leven zelf. Ik ben, om het met een flauwe woordgrap te omschrijven, als de dood voor de dood en persoonlijk vind ik dat een gigantische stap vooruit voor iemand die twintig jaar geleden nog jarenlang flirtte met zelfdoding. Ik slaap tot op de dag van vandaag ook soms nog slechter dan een vlo op een emmer cafeïne, ook waar. Toch is er op deze twee punten –de bloeddruk en de wakkere nachten- al enige tijd een merkbare verbetering. Ik neem namelijk, ik schreef het al, mijn medicatie meer op de tijdstippen die de dokter aangaf en da’s een forse verbetering tegenover vroeger, zowel voor mijn slaap als voor mijn bloeddruk. Tegenwoordig slaap ik één op drie nachten als een roos in mijn eigen appartement en da’s toch een vooruitgang die weliswaar niet verloopt met de snelheid die ik wens: ook de slak bereikt Noachs ark.

Ik schrijf dus ik ben

Ik ga ook, zoals ik al eerder schreef, in de weekends bij mijn moeder logeren als het mij in elk geval figuurlijk dan toch te heet onder mijn voeten wordt op mijn appartement. Die logeerpartijen in de weekends bij mijn moeder zijn, anders dan zoals de begeleiding in Asster het zag, een win/winsituatie hoor. Mijn moeder en ik appreciëren elkaars gezelschap enorm en ik keer steevast weldadig opgeladen en kilometers uitgerust terug naar mijn appartement om weer aangenaam te verdwalen in tientallen interessante films en al dan niet mierzoete muziekjes. En toch heeft ook die opname in mei 2019 mij evenveel deugd gedaan als een frisse douche op een zonnige lentemorgen.

Uitdrukkingen zijn niet in rots gebeiteld voor de eeuwigheid, en dus heeft een mooi glanzende medaille niet noodzakelijk altijd en overal een inktzwarte keerzijde, ook al zag ik dat enkele paragrafen geleden nog anders. Om maar te zeggen dat mijn zogeheten, haast legendarische ‘nachtshiften’ mij zowel vroeger als nu soms nog wel degelijk iets opbrengen hoor: ’s nachts schreef en schrijf ik immers mijn allerbeste teksten, en dat brengt mij naadloos tot de titel van deze paragraaf.

Want naast het petje van ervaringsdeskundige bij LEF is mijn verhouding met mijn eigen schrijftalent nog steeds knal hetzelfde als die van een dolverliefd koppel op elkaar tijdens haar wittebroodsweken. Een talent dat zo rotsvast in een mens verankerd zit kun je nu eenmaal niet chirurgisch uit hem  wegsnijden. In nauw overleg met de hoofdredacteur van het steengoede  www.enola.be heb ik daarom enkele jaren geleden een ruim sabbatjaar genomen en schrijf ik sinds afgelopen zomer weer voor dat online magazine met de regelmaat van een kapotte Zwitserse klok. En yep, dat Sabbatajaar, heeft wel degelijk haar vruchten afgeworpen, getuige de recensies die ik sinds de zomer terug voor hun schreef over onder meer The Kids, de Mens, Jan Swerts en een langer artikel over een plaat van Lloyd Cole and The Commotions die dit jaar 35 kaarsjes mag uitblazen. Als een feniks uit je eigen as herrijzen, heet dat dan. Want zie: deze eigenste, doodsimpele actualisering van mijn herstelverhaal bezorgt mij al meer vreugde dan een bende jongeren op XTC in een discotheek. U merkt: ik blijf met mijn virtuele pen in beweging, al enkele keren immers terug pootje gebaad in het heilig vuur der rockjournalistiek –in mijn tienerjaren en nu nog steeds een jeugddroom die werkelijkheid is geworden. Laat ons wat betreft mijn haast legendarische haat/liefdeverhouding met het nobele métier van de schrijfkunst simpelweg de grote Descartes even verhaspelen: ik schrijf dus ik ben. Voor mij een waarheid als een dikbilstier. Ik blijf dus hopen, niet op genezing maar op herstel. Hoop is immers de benzine waar ik op leef. En inderdaad, zolang er leven is, is er hoop.

-Filip Hermans

FATA MORGANA

We moeten blijven vechten tegen onze ergste

vijand onze eigen angsten onze eigen weemoedigheid, onze eigen

tweespalt. Onze ergste, onze enige vijand is

onszelf.

We zouden wel duizend keer kunnen vragen: zou je, als je was,

als je wist wat ik weet, zou je doen wat wij gedaan hebben?

Maar we blijven vragen naar wat  we zelf niet verlangen te kennen,

we willen stoppen en uitblazen maar we moeten verder

rijden, de weg is recht de weg is krom, soms geen weg steeds

verder moeten we.

Trouw blijven we elke nacht onze vijf sterren tellen, kijken

we naar de maan, naar de zon, ruiken we de geur van ruisende

zomerrokken, proeven wij de nachtkus van moeders, voelen wij

herfst, winter, winter,

winter.

Uiteindelijk aarzelende lente die zomer wordt, schuchter eerst,

Sterker later.

We hebben nog duizenden onopgeloste vragen maar we voelen we

denken we

dromen

(eindelijk terug)

Trouw, koppig bijna

blijven

wij

onszelf

overleven.

-Filip Hermans